De werknemer is sinds 1991 in dienst bij ABN AMRO en bekleedde de functie van Assistent Kredieten. ABN AMRO sprak op 29 oktober 2018 ontslag op staande voet uit wegens overtreding van interne regels, waaronder het raadplegen van eigen en familiebankrekeningen en het behandelen van klachten van zijn partner via interne systemen. De kantonrechter vernietigde dit ontslag op staande voet en veroordeelde ABN AMRO tot toelating van de werknemer tot het werk.
ABN AMRO stelde in hoger beroep primair ontbinding van de arbeidsovereenkomst te vorderen wegens ernstig verwijtbaar handelen en het niet verschuldigd zijn van een transitievergoeding. De werknemer voerde verweer dat hij onbewust de regels had overtreden, altijd naar eer en geweten had gehandeld en aanspraak maakte op transitievergoeding en billijke vergoeding indien ontbinding zou volgen.
De rechtbank overwoog dat hoewel de werknemer regels had overtreden, deze overtredingen niet de kern raakten van de belangen die de regels moeten beschermen. Er was geen sprake van kwade bedoelingen, geen schade voor de werkgever en geen waarschuwing vooraf. Ook was het gedrag niet structureel en was de werknemer al 27 jaar naar tevredenheid werkzaam zonder eerdere negatieve aantekeningen. De rechtbank concludeerde dat het handelen onvoldoende verwijtbaar was om ontbinding te rechtvaardigen en dat er geen sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding.
Daarom wees de rechtbank het ontbindingsverzoek af en veroordeelde ABN AMRO in de proceskosten.