ECLI:NL:RBROT:2019:5797
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom wegens voortijdige oplegging door AFM
Eiseres, houder van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96b Wft, beheerde een paraplufonds met subfondsen en werd door de AFM een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van beleggingsrestricties uit artikel 4:61 Wft Pro en artikel 139 BGfo Pro.
De AFM constateerde de overtreding na een periodiek websiteonderzoek en startte een handhavingstraject dat leidde tot het opleggen van een last onder dwangsom met een begunstigingstermijn tot 15 januari 2018. Eiseres stelde dat zij binnen deze termijn de overtreding had gestaakt door haar beleggingsbeleid aan te passen.
De rechtbank oordeelde dat de AFM het last onder dwangsom niet redelijkerwijs had kunnen opleggen op 5 oktober 2017, omdat eiseres zich vanaf de zienswijze had gecommitteerd aan naleving en daadwerkelijk actie had ondernomen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het primaire besluit, verklaarde het beroep en bezwaar gegrond, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
Daarnaast werd de AFM veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit omdat de last onder dwangsom voortijdig werd opgelegd.