Op 24 januari 2017 vond op een bedrijventerrein een dodelijk ongeval plaats waarbij een voetganger werd overreden door een vrachtwagen. De verdachte, een beroepschauffeur, reed met zijn vrachtwagen en had de motor draaiend laten staan terwijl hij papieren in het kantoorgebouw ophaalde. Het slachtoffer bevond zich in de dode hoek van de vrachtwagen toen deze in beweging kwam, wat leidde tot het ongeval.
De vrachtwagen was uitgerust met een camerasysteem en een trottoirspiegel, maar het camerasysteem was niet correct ingesteld en de spiegel deels geblokkeerd door een windgeleider. De officier van justitie stelde dat de verdachte verwijtbaar onvoorzichtig had gehandeld door niet te zorgen voor correcte werking van deze hulpmiddelen en toch weg te rijden.
De verdachte verklaarde niet bewust te zijn van de gebrekkige werking van het camerasysteem en het zichtbeperkende effect van de windgeleider. De rechtbank oordeelde dat de vrachtwagen zonder opmerkingen door de RDW- en APK-keuringen was gekomen en dat de verdachte geen aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid had betracht. Het ongeval was een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van de tenlasteleggingen van het veroorzaken van het dodelijk ongeval en het veroorzaken van gevaar op de weg. Er was geen bewijs dat de verdachte zich bewust was van het gevaar of zich zodanig had gedragen dat sprake was van strafbare onvoorzichtigheid.