ECLI:NL:RBROT:2019:4280
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken tot vergoeding immateriële schade en kosten rechtsbijstand na sepot
De verzoeker was van 30 juli tot 2 augustus 2018 in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de Opiumwet. De strafzaak is later geseponeerd zonder oplegging van straf of maatregel. Verzoeker diende op 12 september 2018 verzoeken in op grond van artikel 89 en Pro 591a Sv voor vergoeding van immateriële schade en kosten rechtsbijstand.
De rechtbank oordeelt dat er voldoende verdenking was om de inverzekeringstelling te rechtvaardigen. Verzoeker heeft zich zonder geldige toegangspassen onbevoegd toegang verschaft tot een ICT-terrein en gaf een volstrekt onaannemelijke verklaring voor zijn aanwezigheid. Hierdoor is de verzekeringstelling in overwegende mate aan hemzelf te wijten.
Gelet op deze omstandigheden zijn geen gronden van billijkheid aanwezig om vergoeding toe te kennen voor immateriële schade of rechtsbijstandskosten. De verzoeken worden daarom afgewezen. De beslissing is op 19 april 2019 in het openbaar uitgesproken door rechter Damen.
Uitkomst: Verzoeken tot vergoeding immateriële schade en kosten rechtsbijstand worden afgewezen wegens ontbreken van gronden van billijkheid.