Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 2 mei 2019, met producties;
- het faxbericht van de advocaat van [gedaagde] van 7 mei 2019, met producties;
- de mondelinge behandeling van 9 mei 2019;
- de pleitnotities van de advocaat van [eiser] ;
- de van de zijde van [gedaagde] op de zitting overgelegde uitdraai van een e-mail van mr. Laurman van 9 april 2019 om 08:36 uur;
- de producties 5 en 6 van de zijde van [eiser] ;
- het faxbericht van mr. Laurman van 16 mei 2019.
2.De feiten
- om [gedaagde] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in staat te stellen om de bedongen werkzaamheden te verrichten;
- om aan [gedaagde] tegen kwijting het loon te betalen van € 2.989,00 bruto per maand en emolumenten vanaf 1 juli 2018 tot en met november 2018, alsmede het resterende bedrag van € 346,62 bruto aan vakantiegeld over de periode januari 2018 tot en met juni 2018;
- om aan [gedaagde] over de som van het gevorderde loonbedrag alsmede het vakantiegeld de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro te betalen tot een maximum van 15% vanaf de datum van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag van algehele voldoening.