Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen, verpakkingsmaterialen, versnijdingsapparatuur en weegschalen die bestemd zouden zijn voor het voorbereiden of bevorderen van feiten zoals bedoeld in artikel 10 lid 4 en Pro 5 van de Opiumwet.
De tenlastelegging betrof het bezit van diverse stoffen zoals fenacetine, lidocaïne, paracetamol en cafeïne, alsmede verpakkingsmaterialen en apparatuur, aangetroffen op 25 februari 2016 in een opslagruimte van een smartshop waarvan verdachte tot 1 februari 2016 mede-eigenaar was. Verdachte had na die datum nog sporadisch geholpen in de winkel.
De rechtbank oordeelde dat niet vast te stellen was of de middelen en apparatuur al vóór 25 februari 2016 aanwezig waren en dat verdachte op de datum van de vondst niet aanwezig was en geen wetenschap of betrokkenheid kon worden bewezen. Ook was niet gebleken dat verdachte het opzet had om de verboden feiten voor te bereiden of te bevorderen.
Daarom werd het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen geacht en sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van medeplegen van het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen en apparatuur.