Op 19 juni 2015 werd verdachte samen met drie anderen aangehouden in een kleine woonruimte te Rotterdam waarin ongeveer 6 kilogram heroïne werd aangetroffen, samen met een vuurwapen en een groot geldbedrag. De rechtbank oordeelde dat deze ruimte als opslagplaats voor handel in heroïne diende en dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid hiervan.
De verdediging stelde dat verdachte niet wist van de heroïne, maar dit werd verworpen omdat verdachte zich niet distantieerde en tijdens het vooronderzoek geen inhoudelijke antwoorden gaf. De rechtbank concludeerde dat verdachte medepleger was en opzettelijk de heroïne aanwezig had.
De straf werd bepaald op 12 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De rechtbank matigde de straf vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier en een half jaar. Verdachte had eerder een soortgelijk strafbaar feit gepleegd, wat meewoog in de strafbepaling.
De rechtbank sprak verdachte vrij van andere ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 28 februari 2019.