Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
2.De verdere beoordeling
3.De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure staat centraal of tussen Achmea Schadeverzekeringen N.V. en de gedaagde een verzekeringsovereenkomst is gesloten voor een voertuig met een specifiek kenteken op 12 maart 2017. De gedaagde betwist dit en stelt dat zijn zoon de verzekering heeft afgesloten. Achmea heeft dit betwist en bewijs geleverd dat de verzekeringsovereenkomst met de gedaagde is aangegaan.
De kantonrechter heeft de gedaagde meerdere malen verzocht om bewijs te leveren ter onderbouwing van zijn stellingen, zoals een bankverklaring of een uittreksel van de RDW, maar deze is hier niet aan voldaan. De gedaagde heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij de aanmaningen van Achmea niet heeft ontvangen, terwijl deze naar zijn adres zijn gestuurd.
De rechter oordeelt dat Achmea voldoende heeft aangetoond dat de verzekeringsovereenkomst met de gedaagde is gesloten en dat de gedaagde de premie over de periode van 12 maart tot 1 mei 2017 verschuldigd is. Het eerder gewezen verstekvonnis wordt bekrachtigd en de gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. De vorderingen van de zoon van de gedaagde worden afgewezen.
Uitkomst: De kantonrechter bekrachtigt het verstekvonnis en veroordeelt de gedaagde tot betaling van de premie en proceskosten.