ECLI:NL:RBROT:2019:1807
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om Duitse vertaling van boeterapport tegen feitelijk leidinggevende
Verzoeker, een natuurlijk persoon met buitenlandse nationaliteit en voormalig feitelijk leidinggevende van een in Nederland gevestigde vermogensbeheerder, verzocht de AFM om een vertaling in het Duits van een omvangrijk boeterapport. De AFM wees dit verzoek af, stellende dat verzoeker de Nederlandse taal voldoende machtig is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker, gelet op zijn rol als bestuurder, de communicatie met Nederlandse cliënten en medewerkers, en het feit dat hij werd bijgestaan door een Nederlandstalige advocaat, voldoende Nederlands begrijpt om het boeterapport te begrijpen en zich te verdedigen. Verzoekers stelling dat hij de taal onvoldoende beheerst werd niet geloofwaardig geacht.
De rechtbank verwees naar artikel 6 EVRM Pro en jurisprudentie van het EHRM over het recht op vertaling, maar concludeerde dat in deze zaak geen vertaling noodzakelijk is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en verzoeker kan tijdens vervolgzittingen op eigen kosten een tolk meenemen.
Uitkomst: Het verzoek om vertaling van het boeterapport in het Duits wordt afgewezen omdat verzoeker voldoende Nederlands beheerst.