Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 december 2018, met producties 1 tot en met 7;
- de conclusie van antwoord in kort geding, met producties 1 tot en met 77;
- de schriftelijke reactie van [eiser] op de conclusie van antwoord, met producties A tot en met F;
- de mondelinge behandeling op 31 januari 2019;
- de pleitnota van Faciliture.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vordering
behoorlijkis nagekomen, berust die stelling op een verkeerde lezing van het besluit van de gemeente van 17 oktober 2017. Uit het besluit volgt dat de gemeente heeft geconcludeerd dat de minnelijke schuldregeling is
doorlopenen dat [eiser] zich aan alle voorwaarden van het (schuldbemiddelings)traject heeft gehouden. Dat wil niet meer zeggen dan dat gedurende een periode van 36 maanden een van de aflossingscapaciteit van [eiser] afhankelijk bedrag door de gemeente is gereserveerd ten behoeve van zijn schuldeisers, en dat [eiser] de verplichtingen die op hem rusten op grond van artikel 5 van Pro de beleidsregels Schuldbemiddeling 2015 van de gemeente Nissewaard (de inlichtingenplicht) en de artikelen 6 en 7 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (de inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht) in voldoende mate is nagekomen. Het wil dus niet zeggen dat hij de tussen hem en Faciliture gesloten overeenkomst, waarop – anders dan op de schuldbemiddeling – niet het bestuursrecht, maar het civiele recht van toepassing is, behoorlijk is nagekomen. Het is ook niet aan de gemeente om dat te beoordelen.
980,00