ECLI:NL:RBROT:2019:1660
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling huisverbod en beroep tegen oplegging door burgemeester
Op 19 februari 2019 legde de burgemeester van Lansingerland aan verzoeker een huisverbod op voor tien dagen wegens een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van achterblijfster, met wie verzoeker samenwoont. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het huisverbod deugdelijk was gemotiveerd en dat de burgemeester bevoegd was het huisverbod op te leggen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod. Uit verklaringen van betrokkenen bleek sprake van verbale dreiging met de dood, wat een onmiddellijke dreiging van gevaar vormde.
Verzoeker voerde aan dat het huisverbod disproportioneel was en dat geen goede belangenafweging was gemaakt, onder meer vanwege zijn medische situatie. De rechter oordeelde dat de belangen van achterblijfster en de kinderen zwaarder wogen en dat de tijdelijke opvang bij het Leger des Heils medisch aanvaardbaar was.
Verder stelde verzoeker dat het gevaar inmiddels was verdwenen en dat hij bereid was hulpverlening te accepteren. De rechter concludeerde dat het gevaar nog bestond omdat er nog geen veiligheidsafspraken waren gemaakt en hulpverlening nog niet was gestart. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het huisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.