De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van verduistering in dienstbetrekking en schuldwitwassen in de periode van november 2008 tot juli 2016.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van drie maanden wegens medeplegen van gewoontewitwassen. Het bewijs betrof frauduleuze overboekingen van meer dan €227.000 naar de rekeningen van verdachte en gezamenlijke rekeningen met haar echtgenoot, alsmede een hoog uitgavepatroon. De verdachte ontkende kennis van de herkomst van het geld en stelde dat haar echtgenoot de financiële administratie beheerste.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld afkomstig was van misdrijf. Daarnaast was het vervolgingsrecht voor schuldwitwassen gepleegd voor 5 november 2013 verjaard, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard voor dat deel. De verdachte werd vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten en de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.