De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van verduistering in dienstbetrekking en schuldwitwassen over de periode van november 2008 tot juli 2016. De tenlastelegging verwees naar witwasbedragen en gedragingen die verdachte zou hebben gepleegd, al dan niet samen met anderen.
Tijdens de terechtzittingen in november 2019 werd geoordeeld dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de gelden, waardoor vrijspraak werd uitgesproken voor het primair ten laste gelegde (gewoonte)witwassen. Voor schuldwitwassen werd vastgesteld dat vervolging voor feiten gepleegd voor 5 november 2013 was verjaard, waarna de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard voor die feiten.
Voor de schuldwitwashandelingen na 5 november 2013 tot 12 juli 2016 was er eveneens onvoldoende bewijs van overboekingen via de gezamenlijke rekening, wat leidde tot vrijspraak. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen wegens de vrijspraak en niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, die nihil werden begroot.