ECLI:NL:RBROT:2019:10343

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 december 2019
Publicatiedatum
30 december 2019
Zaaknummer
10/750303-17 ontneming
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens medeplegen gewoontewitwassen

De rechtbank Rotterdam heeft op 9 december 2019 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde werd eerder veroordeeld wegens medeplegen van gewoontewitwassen, waarbij een aanzienlijk bedrag aan geldbedragen frauduleus was verkregen en overgeboekt.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van €33.830,26, later bijgesteld naar €32.224,91, gebaseerd op het voordeel dat de veroordeelde had genoten uit de baten van het strafbare feit. De verdediging betoogde dat dit bedrag op de bankrekening van de veroordeelde was achtergebleven en dat de veroordeelde financieel niet in staat was dit bedrag te betalen.

Uit het bewijs, waaronder bankafschriften en politieprocessen-verbaal, bleek dat de veroordeelde tussen november 2008 en februari 2011 een bedrag van €264.886,37 had ontvangen, waarvan €232.661,46 was overgemaakt naar een medeverdachte. Het resterende bedrag van €32.224,91 was door de veroordeelde gebruikt.

De rechtbank paste artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (oud) toe en hield rekening met een vordering van de benadeelde partij ter hoogte van €32.224,91. Gezien deze vordering en de toepasselijke wetgeving werd het wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk vastgesteld op nihil. De rechtbank legde daarom geen betalingsverplichting op aan de veroordeelde.

Uitkomst: Het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op nihil en er is geen betalingsverplichting opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/750303-17
Datum uitspraak: 9 december 2019
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde],
geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] (Nederlands-Indië),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] .
Raadsman mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18, 19 en 25 november 2019.

2.Voorafgaande veroordeling

Bij vonnis van de rechtbank van 9 december 2019 is de verdachte veroordeeld wegens het na te noemen strafbare feit. Van dat vonnis is een kopie, aangeduid als A, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

3.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie mr. R. Dhoen van 9 oktober 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot van € 33.830,26. Ter terechtzitting van 19 november 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en vastgesteld op € 32.224,91 met het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat.
De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde in de visie van de officier van justitie moet worden veroordeeld.

4.De verdediging

De raadsman heeft betoogd dat uit de opgevraagde bankafschriften blijkt dat er een bedrag van € 32.224,91 op de bankrekening van de veroordeelde is achtergebleven. Voorts heeft de raadsman de financiële en persoonlijke situatie van de veroordeelde uiteengezet. Vervolgens heeft hij geconcludeerd dat de veroordeelde niet in staat is om het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen waarop hij heeft verzocht om de betalingsverplichting op nihil te stellen.

5.De strafbare feiten

In voornoemd vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de veroordeelde:
hij op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met
28 februari 2011te Hendrik-Ido-Ambacht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
A.
van meerdere voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen
(zie p.6 relaas Zaaksdossier [naam veroordeelde] ) de
herkomst en de vindplaats en de verplaatsing heeft
verborgen en verhuld ,
en
B
meerdere voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen (zie
p.6 relaas Zaaksdossier [naam veroordeelde] ) heeft verworven, voorhanden gehad,
overgedragen en omgezet, en van meerdere voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen (zie p.6 relaas Zaaksdossier [naam veroordeelde] )
gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wist(en, dat die voorwerpen –
onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf
en van het plegen van witwassen een gewoonte hebben gemaakt.
De rechtbank heeft in voornoemd vonnis op grond van hetgeen het bewezen heeft verklaard het volgende strafbare feit gekwalificeerd:
MEDEPLEGEN VAN GEWOONTEWITWASSEN.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde is begaan.

6.De bewijsmiddelen

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het vermelde strafbare feit is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, zoals hierna onder 7 opgenomen.

7.Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij de bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De rechtbank is - op grond van de bewijsmiddelen - van oordeel dat de verdachte met betrekking tot het in voornoemd vonnis bewezen verklaarde strafbare feit wat betreft (kort samengevat) het medeplegen van gewoontewitwassen, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De rechtbank zal als grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel nemen het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam, proces-verbaalnummer [procesverbaalnummer] (documentcode [code nummer 1] ; onderzoek [naam onderzoek] ) van 5 maart 2018 (pagina’s 1-14) met bijlagen (doorgenummerde dossierpagina’s 1-268) en het bijbehorende ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam, documentcode [code nummer 2] (zaaksdossier [naam veroordeelde] ) van 26 januari 2018 (pagina’s 1-8) met bijlagen (doorgenummerde dossierpagina’s 1-37).
Uit voornoemd proces-verbaal blijkt het navolgende:
Onderzoek Geldstromen:
Naar aanleiding van de aangifte werd nader onderzoek gedaan naar bankrekening
[bankrekeningnummer 1] .
Bankrekening [bankrekeningnummer 1] betreft een bankrekening op naam van [naam veroordeelde] , geboren op [geboortedatum veroordeelde] , wonende aan de [adres veroordeelde] te [woonplaats veroordeelde] .
GBA:
De juiste personalia van [naam veroordeelde] zijn:
[naam veroordeelde] , geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] (Nederlands-Indië),
Wonende aan de [adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde]
De banktransacties van bankrekening [bankrekeningnummer 1] werden opgevraagd over de periode van november 2008 tot en met februari 2012. De Rabobank verstrekte de transacties over de periode van vanaf 24 augustus 2009 tot en met 11 maart 2011.
Uit de ontvangen transactiegegevens blijkt dat op bankrekening [bankrekeningnummer 1] in
totaal € 273.378,97 is gestort, afkomstig van bankrekening [bankrekeningnummer 2] ten name van [naam bedrijf] . Eén keer, op 03-09-2009, is een bedrag van € 8.492,60 teruggestort.
Uit de van de Rabobank verkregen banktransacties en uit de bij de bijlage van de aangifte gevoegde bankafschriften kan worden berekend wat het bedrag is wat minimaal frauduleus overgeboekt is van de bankrekening van [naam bedrijf] naar de bankrekening van
[naam veroordeelde] :
14-07-2009 € 6.265,08 +
28-07-2009 € 6.785,56 +
07-08-2009 € 6.350,90 +
Periode 24-08-2009 t/m 14-11-2011 € 273.378,97 +
03-09-2009 teruggestort € 8.492.60 -/-
(tabel 1)
Uit analyse van bankrekening [bankrekeningnummer 1] over de periode vanaf 24 augustus 2009 tot en met 11 maart 2011 blijken de volgende af- en bijschrijvingen:
(tabel 2)
Uit dit overzicht blijkt dat er in totaal (netto) een bedrag van € 264.886,37 is ontvangen door de verdachte [naam veroordeelde] .
Daarvan is € 232.661,46 (circa 88,1 %) overgeboekt naar bankrekening [bankrekeningnummer 3] ten name van [naam medeverdachte] en/of [naam] .
Resteert een bedrag van €32.224,91 dat verdachte [naam veroordeelde] anders heeft aangewend,
- ofwel door het over te boeken naar de bankrekening van zijn vrouw;
- ofwel door er persoonlijke uitgaven van te betalen;
- ofwel door het in contanten op te nemen.
Op grond van hetgeen zij hiervoor onder 7.2 heeft overwogen, blijkt dat het navolgende netto totaalbedrag op de bankrekening van de veroordeelde ( [bankrekeningnummer 1] ) is achtergebleven en door hem is gebruikt:
Saldo ontvangsten vanaf [naam bedrijf] : € 264.886,37
Saldo overboekingen naar [naam medeverdachte] : € 232.661,46 -/-
Totaal: € 32.224,91
7.4
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank stelt – op grond van hetgeen zij hiervoor onder 7.2 en 7.2 heeft overwogen en vastgesteld – het bedrag, waarop het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 32.224,91.

8.Vaststelling van het te betalen bedrag

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 32.224,91.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de vordering beoordeeld moet worden op grond van het recht dat van toepassing was in de periode van het begaan van het bewezen verklaarde feit, in casu de periode van 1 november 2008 tot en met 28 februari 2011.
Ingevolge artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Met de wijziging van dit artikel op 1 januari 2014 is daaraan onder meer toegevoegd dat de toegekende vorderingen in mindering worden gebracht “voor zover die zijn voldaan”.
Artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht houdt in zoverre een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. In zo een geval dient door de rechter op grond van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepaling te worden toegepast (zie onder meer Hoge Raad 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:653).
Bij het vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegekend tot een bedrag van € 32.224,91. Nu artikel 36e, achtste lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht de voor de veroordeelde gunstigste bepaling bevat, zal daaraan toepassing worden gegeven en zal het bedrag van de aan de benadeelde partij toegekende vordering in mindering worden gebracht op het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk genoten voordeel wordt geschat, vast op nihil.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,
mr. I.W.M. Laurijssens en mr. C. Vogtschmidt, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.