Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
13 november 2018 namens gedaagde met twee producties.
2.De vaststaande feiten
3 kinderen, van wie de derde in november 2017 in Turkije is geboren.
Rechtbank Rotterdam
De huurder verhuurde sinds 2011 een woning die vanaf november 2016 onbewoond bleef vanwege verblijf in het buitenland. Tijdens zijn afwezigheid werd een hennepkwekerij met 550 planten in de woning aangetroffen, wat leidde tot een sluitingsbesluit van de burgemeester voor drie maanden. De verhuurder ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk op grond van artikel 7:231 lid 2 BW Pro en vorderde ontruiming.
De huurder betwistte de ontbinding en voerde onder meer aan dat hij niet betrokken was bij de kwekerij, dat hij zijn hoofdverblijf in de woning had en dat ontruiming disproportioneel was gezien zijn woonbelang en dat van zijn gezin. De kantonrechter oordeelde dat het sluitingsbesluit onherroepelijk was en dat de verhuurder terecht de huurovereenkomst had ontbonden. Hoewel de huurder niet als verdachte werd aangemerkt, had hij onvoldoende toezicht gehouden op het gehuurde.
De voorzieningenrechter achtte het spoedeisend belang aanwezig en vond de belangenafweging in het voordeel van de verhuurder uitvallen. De vordering tot ontruiming werd toegewezen met een termijn van veertien dagen na opheffing van de sluiting. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De huurder is veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen na opheffing van de sluiting door de burgemeester.