Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun woonruimte opschort. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie gezien het vonnis tot ontruiming en het exploot waarin de ontruiming is aangekondigd.
Verweerster voert aan dat verzoekers geen buitengerechtelijke schuldregeling zijn aangegaan en dat de huurachterstand aanzienlijk is. Verzoekers hebben echter aangetoond dat de huur van oktober 2018 tijdig en volledig is voldaan en dat zij budgetbeheer hebben opgestart, wat stabiliteit biedt.
De rechtbank weegt het belang van verzoekers om in hun woning te blijven en het minnelijk traject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekers kunnen later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening geldt voor zes maanden en verlengt de huurovereenkomst voor die periode, met de verplichting dat SHV namens verzoekers verslag uitbrengt over de schuldregeling.