Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2018:9436

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 oktober 2018
Publicatiedatum
19 november 2018
Zaaknummer
FT EA 18/1584
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 FwArt. 2:19 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek eigen aangifte faillissement wegens gebrek aan baten

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] heeft op eigen aangifte een verzoek tot faillietverklaring ingediend bij de rechtbank Rotterdam. Uit de stukken en de zitting blijkt dat de vennootschap is gestopt met betalen en voldoet aan de faillissementsvereisten volgens de Faillissementswet.

Echter is vastgesteld dat de onderneming geen baten meer bezit, geen debiteuren, geen onroerende zaken, geen bedrijfspand of personeel heeft, en dat de bedrijfsactiviteiten geruime tijd geleden zijn gestaakt. Er zijn ook geen aanwijzingen dat er nog baten te verwachten zijn, bijvoorbeeld door aansprakelijkheid van de bestuurder.

De rechtbank overweegt dat een curator het faillissement waarschijnlijk snel zal voordragen voor opheffing wegens gebrek aan baten, wat leidt tot ontbinding van de vennootschap en verdere toename van schuldenlast door curatorwerkzaamheden. Aangeefster kan ook op grond van het Burgerlijk Wetboek ontbonden worden zonder faillissement.

Daarom heeft de vennootschap onvoldoende belang bij het faillissementsverzoek en wordt zij niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen acht dagen, uitsluitend door een advocaat.

Uitkomst: Verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan baten en onvoldoende belang.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
Uitspraakdatum: 2 oktober 2018
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf],
statutair gevestigd te [plaats] ,
kantoorhoudende aan de [adres] ,
[postcode] ,
aangeefster,
strekkende tot haar (op eigen aangifte) faillietverklaring.

1.De procedure

Op 28 september 2018 heeft aangeefster ter griffie van de rechtbank een verzoek tot (op eigen aangifte) faillietverklaring ingediend.
Op 2 oktober 2018 is mr. M.M. de Jong, advocaat, namens de heer [naam] , bestuurder van aangeefster, in raadkamer gehoord.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Uit de overgelegde stukken, alsmede het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat aangeefster verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. In zoverre is voldaan aan de in de Faillissementswet (hierna: Fw) gestelde eisen om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard. De rechtbank is evenwel van oordeel dat aangeefster onvoldoende belang heeft bij het verzochte faillissement.
Mr. De Jong heeft verklaard dat de onderneming niet over enige bate beschikt. Uit de ‘eigen aangifte verklaring’ blijkt dat geen sprake is van debiteuren, er geen (on)roerende zaken zijn, er geen sprake is van een bedrijfspand of personeel, en dat de bedrijfsactiviteiten inmiddels geruime tijd zijn gestaakt. Evenmin zijn er, gelet op het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken, op dit moment aanwijzingen dat andere baten te verwachten zijn (bijvoorbeeld door aansprakelijkheid van de bestuurder).
Er is derhalve naar verwachting geen te executeren vermogen. Dat, gevoegd bij het feit dat gesteld noch gebleken is dat belangen van derden (zoals werknemers) betrokken zijn, betekent dat te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Fw Pro zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing. Aangeefster zal dan door die opheffing worden ontbonden (artikel 2:19, eerste lid sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). In dat geval zal de schuldenlast van aangeefster alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator.
Daar staat tegenover dat aangeefster – in de regel door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders – mogelijk op grond van artikel 2:19 lid 1 BW Pro kan worden ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW Pro houdt de rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Het is vervolgens aan (een van) de crediteuren om - in het kader van een eventueel verzoek tot faillietverklaring - aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat hij/zij bij vereffening (enige) betaling zou(den) hebben ontvangen.
Onder deze omstandigheden heeft aangeefster onvoldoende belang bij het verzoek tot faillietverklaring.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [bedrijf] niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is op 2 oktober 2018 gegeven door mr. F. Damsteegt-Molier, rechter, in aanwezigheid van M. Bijnagte, griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.