Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord toe te passen tegen een schuldeiser die weigerde mee te werken aan een aangeboden schuldregeling. De regeling was gebaseerd op de NVVK-norm en hield rekening met de volledige arbeidsongeschiktheid van verzoeker, die verblijft in een verpleegtehuis. Negen van de tien schuldeisers stemden in met het voorstel, maar Hoist Finance, met een vordering van 67,40% van de totale schuldenlast, weigerde.
Hoist Finance beriep zich op het feit dat schuldhulpverlening niet is aangesloten bij de NVVK, waardoor zij geen voorstellen van deze instantie in behandeling neemt. De rechtbank oordeelde dat Schuldbemiddeling Nederland als uitvoeringsinstantie van de gemeente functioneert en dat het niet-lidmaatschap van de NVVK niet tot weigering mag leiden. De regeling was goed gedocumenteerd, getoetst door een onafhankelijke partij en het uiterste wat verzoeker kon bieden.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker geen inkomen kan verwerven boven zijn huidige WIA-uitkering en dat het voorstel een gunstiger resultaat oplevert dan een wettelijke schuldsaneringsregeling. De belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers wegen zwaarder dan die van Hoist. Daarom werd Hoist bevolen in te stemmen met de regeling, het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen en de kosten van de procedure op nihil gesteld.