ECLI:NL:RBROT:2018:7716

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 september 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
18_1436
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar inzage dossierstukken en e-mails

Eiseres maakte bezwaar tegen de inzage en afgifte van dossierstukken en e-mails, alsmede tegen een besluit van 7 november 2014. Verweerder verklaarde het bezwaar tegen de inzage en e-mails niet-ontvankelijk omdat deze geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn.

De rechtbank oordeelt dat de inzage en afgifte van dossierstukken en de e-mails geen zelfstandige besluiten zijn omdat zij geen rechtsgevolg inhouden. Het betreft feitelijke handelingen en informatieve e-mails die geen rechten of plichten wijzigen. Ook een eventueel verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens wordt door de e-mails niet beslecht.

Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep van eiseres kennelijk ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/1436
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2018 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiseres,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 16 november 2017 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de inzage en afgifte van dossierstukken op 6 en 9 oktober 2017 en de e-mails van 1 en 2 november 2017. Ook is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 november 2014.
Bij besluit van 24 januari 2018 heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2014. Tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld, bekend onder zaaknummer ROT 18 / 1400.
Bij besluit van 25 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de inzage en afgifte van dossierstukken en de e-mails niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is neergelegd dat alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar moet worden gemaakt. Het bezwaar moet aldus gericht zijn tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4. De rechtbank is van oordeel dat de inzage in en afgifte van dossierstukken en de genoemde e-mails waartegen bezwaar is gemaakt niet zijn gericht op enig zelfstandig rechtsgevolg. Het gaat om feitelijke handelingen en de e-mails zijn informatief van aard en brengen geen wijzigingen in de rechten, plichten of aanspraken van eiseres. Het gaat om afspraken over inzage in dossiers en uitleg over de door eiseres gestelde vragen. Voor zover al sprake zou zijn van een verzoek op grond van de wet bescherming persoonsgegevens, zoals eiseres stelt, bevatten de genoemde e-mails daar geen besluiten over.
5. Aangezien ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb in verbinding met artikel 7:1 van Pro de Awb alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van de Awb, heeft verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van
A. Krecke-Mangroe, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 17 september 2018.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.