ECLI:NL:RBROT:2018:7470
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende inzicht in snackkraaminkomsten
Eiser en zijn echtgenote ontvingen sinds augustus 2015 een bijstandsuitkering en vroegen in september 2017 een individuele inkomenstoeslag aan. Verweerder wees deze aanvraag af wegens onvoldoende duidelijkheid over de inkomsten in de referteperiode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum, met name over de periode van september 2014 tot augustus 2015 toen eiser inkomsten uit een snackkraam had.
Eiser stelde dat hij alle redelijkerwijs beschikbare gegevens had overgelegd, waaronder belastingaanslagen en IB60-verklaringen, en dat hij in 2016 ook recht had op de toeslag. Verweerder vond echter dat de overgelegde bankafschriften en eigen verklaringen onvoldoende objectief en verifieerbaar waren, omdat niet duidelijk was wat de aard en herkomst van de contante stortingen op de rekening van de dochter waren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond had verklaard. Er is geen wettelijke verplichting voor verweerder om het inkomen strikt volgens de Basisregistratie Inkomen te volgen, maar eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om het recht op toeslag vast te stellen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de individuele inkomenstoeslag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van het inkomen uit de snackkraam.