ECLI:NL:RBROT:2018:7469
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ingebrekestelling prematuur bij bijzondere bijstand en bezwaarprocedure
Eiseres vroeg bijzondere bijstand voor griffierechten aan, welke werd afgewezen. Zij maakte bezwaar en stelde verweerder in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen. Verweerder herzag het besluit en kende de bijstand alsnog toe, maar verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond wegens prematuriteit van de ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zes weken bedroeg, maar dat deze termijn door opschorting vanwege het ontbreken van gronden was verlengd. De mededeling over het inschakelen van een commissie was niet tijdig gedaan, waardoor eiseres mocht uitgaan van een beslistermijn van zes weken. Echter, omdat het voorlopige bezwaarschrift niet voldeed aan de vereisten, mocht de beslistermijn worden opgeschort.
De rechtbank concludeerde dat de ingebrekestelling op 13 oktober 2017 prematuur was omdat de beslistermijn tot 11 november 2017 liep. Daarom was geen dwangsom verschuldigd en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de ingebrekestelling prematuur was.