Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 8 juni 2017, met producties;
- de akte specificatie hoofdsom, alsmede overlegging producties, van de zijde van TPM;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis (de brief) van de rechtbank van 11 oktober 2017, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de brief van mr. Vink van 5 februari 2018, met één productie;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 20 februari 2018;
- de brief van mr. Ouwens van 15 maart 2018, met een reactie op het proces-verbaal van de comparitie van partijen.
2.De feiten
3.Het geschil
- toegewezen bij vonnis van 19-10-2016 € 36.627,06
- proceskosten € 3.818,45
- rente tot en met 03-01-2017 € 833,17
- nakosten € 131,00
- kosten faillissementsaanvraag €
- hoofdsom € 28.184,52
- rente tot en met 20-02-2017 € 250,40
- buitengerechtelijke kosten €
4.De beoordeling
In de zaak tegen BPH Ede
- dagvaarding € 134,33
- griffierecht € 1.306,00
- salaris advocaat €
- Ten eerste: ten tijde van het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst was de kredietovereenkomst niet opgezegd door de Rabobank. Het B&P-concern was wel onder bijzonder beheer van de Rabobank geplaatst, maar kon op 30 juli 2015 nog aan haar betalingsverplichtingen voldoen. Voor reden van zorg dat de kredietfaciliteit zou worden opgezegd was op dat moment geen sprake. Integendeel, het krediet werd verruimd en B&P Groep werd als volledig kredietwaardig aangemerkt. Ook uit de jaarrekening over 2014 blijkt dat de financier haar vertrouwen in B&P Groep had uitgesproken. Dat op het moment van het sluiten van de bemiddelingsovereenkomst zekerheden aan de Rabobank waren verstrekt, maakte niet voorzienbaar dat betaling aan TPM zou uitblijven. De zekerheden werden op dat moment niet uitgewonnen en bovendien was TPM - als bemiddelaar, wiens opdracht het is om zich te verdiepen in alle financiële aspecten van de te bemiddelen onderneming - van het bestaan van de zekerheden op de hoogte.
- Ten tweede: ten tijde van het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst gingen alle partijen ervan uit dat een verkoopopbrengst van 6 miljoen euro gerealiseerd kon worden, die ruimschoots voldoende was om alle vorderingen - waaronder die van TPM - te kunnen voldoen. Uit de op 2 november 2015 vastgestelde jaarrekening van B&P Groep over 2014 blijkt dat de activa van B&P Groep op dat moment nog gewaardeerd waren op basis van een continuïteitsveronderstelling. De uiteindelijk gerealiseerde en veel lager dan verwachte verkoopopbrengst was geheel niet te voorzien op 30 juli 2015.
- Ten derde: ten tijde van het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst bestond het gerechtvaardigde vertrouwen dat het Zippy-softwarepakket zeer profijtelijk zou kunnen worden geëxploiteerd.
- Ten slotte: [gedaagde 1] heeft zich er tot het laatste moment voor ingezet dat TPM uit de verkoopopbrengst zou worden betaald.
- griffierecht € 1.924,00
- salaris advocaat €