In deze bestuursrechtelijke zaak zijn vijf beroepen ingesteld tegen WOZ-waardebeschikkingen van onroerende zaken in een Nederlandse gemeente voor het belastingjaar 2017. De eiser stelde aanvankelijk dat de waarde van de objecten aanzienlijk lager moest worden vastgesteld. Kort voor de zitting wijzigde hij dit standpunt en stelde dat de waarde juist hoger moest zijn, gebaseerd op een verkooptransactie uit het najaar van 2017 waarvan hij de onderliggende stukken niet had overgelegd.
De rechtbank oordeelde dat deze standpuntwijziging binnen de tiendagentermijn in strijd was met de goede procesorde. Bovendien was het voor de verweerder niet mogelijk om adequaat te reageren op deze nieuwe waardering, mede omdat niet duidelijk was of de verkoop onder normale of bijzondere omstandigheden had plaatsgevonden.
Ter zitting trok eiser de overige beroepsgronden in en hield alleen het standpunt over dat de waarde te laag was vastgesteld. Omdat de rechtbank de late standpuntwijziging buiten beschouwing moest laten, waren er geen inhoudelijke gronden meer om te beoordelen. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.