Op 30 september 2017 werd de verdachte betrapt op diefstal in een portiekwoning te Rotterdam, waarbij hij zich toegang verschaft had door een ruitje van de portiekdeur in te slaan. De bewoonster werd wakker en zag de verdachte in haar woning, waarna hij vluchtte. De portemonnee van de bewoonster, die uit haar tas was gehaald, werd kort daarna door de verdachte achtergelaten in een andere brievenbus.
Het bewijs bestond uit de aangetroffen latex handschoen met het DNA van de verdachte op de glasscherven van het ingeslagen ruitje, getuigenverklaringen en de teruggevonden portemonnee. De verdachte voerde aan dat hij via een op een kier staande deur naar binnen was gegaan om wijn te drinken, maar deze verklaring werd door de rechtbank als ongeloofwaardig verworpen.
De rechtbank verklaarde de tenlastelegging van diefstal met braak bewezen en sprak de verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten. Gezien de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn eerdere veroordelingen, werd een gevangenisstraf van 18 weken opgelegd met aftrek van voorarrest.
De rechtbank benadrukte de impact van woninginbraken op slachtoffers en het belang van een passende straf om herhaling te voorkomen. De verdachte werd strafbaar verklaard en het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur van de voorlopige hechtenis gelijk was aan de opgelegde straf.