ECLI:NL:RBROT:2018:5493

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 juli 2018
Publicatiedatum
9 juli 2018
Zaaknummer
6641322 CV EXPL 18-678
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 476a RvArt. 477a Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot betaling wegens niet afleggen verklaring derdenbeslag

Hogeschool Rotterdam heeft op 29 december 2016 derdenbeslag gelegd onder MK Stuwadoor ten laste van een werknemer voor een bedrag van €5.830,21. Hogeschool Rotterdam vordert betaling van dit bedrag plus proceskosten, stellende dat MK Stuwadoor naliet een verklaring af te leggen over de vorderingen en zaken getroffen door het beslag, terwijl zij daartoe verplicht was op grond van artikel 476a Rv.

MK Stuwadoor voert verweer dat zij wel een verklaring heeft afgelegd via een medewerker, maar kan dit niet onderbouwen omdat het e-mailadres is weggevallen. Tevens stelt MK Stuwadoor dat de werknemer een schuld aan haar had en dat deze schuld via inhouding op het salaris werd voldaan.

De rechtbank oordeelt dat MK Stuwadoor onvoldoende bewijs heeft geleverd van het afleggen van de verklaring en dat de stelling van Hogeschool Rotterdam dat geen verklaring is ontvangen, prevaleert. Op grond van artikel 477a Rv wordt MK Stuwadoor veroordeeld tot betaling van het beslagbedrag alsof zij zelf schuldenaar is. De vordering van €5.875,84 wordt toegewezen, evenals de proceskosten.

Uitkomst: MK Stuwadoor wordt veroordeeld tot betaling van €5.875,84 aan Hogeschool Rotterdam wegens het niet afleggen van een verklaring omtrent derdenbeslag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6641322 CV EXPL 18-678
uitspraak: 5 juli 2018

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:
de stichting
Stichting Hogeschool Rotterdam,
gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MK Stuwadoor B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
gedaagde,
zelf procederende.
Partijen worden hierna aangeduid als Hogeschool Rotterdam en MK Stuwadoor.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 2 februari 2018;
de conclusie van antwoord;
het tussenvonnis van 19 april 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
de aantekening van de griffier dat de comparitie is gehouden op 6 juni 2018 en dat
MK Stuwadoor daar niet is verschenen;
5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De feiten
1. Tussen MK Stuwadoor en de heer [werknemer], geboren op [geboortedatum] 1987 en wonende te [plaatsnaam], (hierna: [werknemer]) heeft een dienstbetrekking bestaan.
2. Hogeschool Rotterdam heeft op 29 december 2016 ten laste van [werknemer] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder MK Stuwadoor voor een bedrag van € 5.830,21.
De vordering
3. Hogeschool Rotterdam vordert veroordeling van MK Stuwadoor bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 5.875,84 en de proceskosten.
4. Hogeschool Rotterdam stelt daartoe – samengevat – het volgende.
MK Stuwadoor heeft verzuimd verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Daartoe was zij op grond van artikel 476a lid 1 Rv wel gehouden. Ondanks herhaalde verzoeken is MK Stuwadoor in gebreke gebleven de bedoelde verklaring af te geven. Hogeschool Rotterdam vordert nu dan ook van MK Stuwadoor op grond van artikel 477a Rv betaling van een bedrag van € 5.875,84, zijnde het bedrag dat zij van [werknemer] te vorderen heeft.
Het verweer
5. MK Stuwadoor voert – samengevat – als verweer het volgende aan.
Het klopt niet dat Hogeschool Rotterdam geen verklaring heeft gehad. Een collega die op de administratie werkte, behandelde dit soort verzoeken en zij reageerde altijd. Het
e-mailverkeer hierover is helaas niet terug te halen, omdat het e-mailadres is weggevallen.
[werknemer] had een schuld aan MK Stuwadoor en in onderling overleg is afgesproken dat [werknemer] deze zou terugbetalen door inhouding van zijn salaris.

Beoordeling van het geschil

6. Ter zitting heeft Hogeschool Rotterdam betwist dat zij de verklaring heeft ontvangen. Het had vervolgens op de weg van MK Stuwadoor gelegen om haar stelling te onderbouwen dat zij de verklaring wel degelijk heeft gedaan. De enkele stelling dat de betreffende medewerker dit soort verzoeken altijd afhandelde, is daartoe niet voldoende. Het wordt er dan ook voor gehouden dat MK Stuwadoor geen verklaring heeft gedaan. Gelet daarop geldt op grond van artikel 477a Rv dat MK Stuwadoor kan worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware zij daarvan zelf schuldenaar. Dat sprake zou zijn van een verrekenbare vordering is door Hogeschool Rotterdam betwist en door MK Stuwadoor niet (nader) onderbouwd, zodat dat niet is komen vast te staan.
7. MK Stuwadoor heeft de hoogte van de vordering niet weersproken, zodat zal worden uit gegaan van het door Hogeschool Rotterdam gevorderde bedrag van € 5.875,84. Dat bedrag zal worden toegewezen.
8. MK Stuwadoor wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt MK Stuwadoor tot betaling aan Hogeschool Rotterdam van een bedrag van
€ 5.875,84;
veroordeelt MK Stuwadoor tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Hogeschool Rotterdam begroot op:
aan explootkosten
98,01
aan informatiekosten
7,36
aan griffierecht
476,00
aan salaris gemachtigde
500,00
totale kosten
1.081,37
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
773