Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2018 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te Den Haag, eiseres,
de burgemeester van de gemeente Binnenmaas, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen:
[naam eigenaar] bij de exploitatie van [naam onderneming 1] . Wat betreft de verhouding tussen eiseres en [naam aandeelhouder/bestuurder] enerzijds en anderzijds [naam onderneming 1] (en dus, gelet op het hiervoor overwogene, ook [naam eigenaar] ) heeft verweerder in de eerste plaats in aanmerking mogen nemen dat [naam aandeelhouder/bestuurder] de voormalig zwager is van [naam eigenaar] en dat [naam aandeelhouder/bestuurder] in het verleden een geldlening van € 250.000,- heeft verstrekt aan
In de genoemde uitspraak van 1 juni 2016 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat door [naam eigenaar] strafbare feiten zijn gepleegd of vermoedelijk zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunningen zijn gevraagd. Daartoe is redengevend geacht dat de vergunningen het plegen van die strafbare feiten kunnen faciliteren en dat de horecabranche kwetsbaar is voor risico’s die voortkomen uit die feiten. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om ten aanzien van dezelfde strafbare feiten op dit punt thans tot een ander oordeel te komen.