De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel binnendringen van een meisje onder de twaalf jaar en ontuchtige handelingen met een minderjarige onder de zestien jaar. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.
Tijdens de terechtzitting werd het slachtoffer gehoord en verklaarde zij gedetailleerd over het vermeende misbruik. Hoewel haar verklaring consistent was, vond de rechtbank dat deze onvoldoende steun vond in ander bewijs. Medische onderzoeken toonden geen letsel of afwijkingen die het misbruik konden bevestigen. Verklaringen van de moeder en getuigen waren gebaseerd op wat het slachtoffer had verteld of betroffen alleen seksueel getinte opmerkingen, niet het misbruik zelf.
De rechtbank concludeerde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was en sprak de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, waarbij twee rechters het vonnis mede ondertekenden.