Uitspraak
[naam veroordeelde] ,
raadsvrouw mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 maart 2018 een vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van een gevangenisstraf die aan de veroordeelde was opgelegd bij vonnis van 10 maart 2016. De straf betrof 240 dagen gevangenisstraf waarvan 72 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals een contactverbod met het slachtoffer en meldplicht bij de reclassering.
De reclassering rapporteerde moeizame medewerking van de veroordeelde, met twee overtredingen van de meldplicht en onvoldoende inzet voor dagbesteding of werk. Desondanks hield de veroordeelde zich aan het contactverbod en heeft hij geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. De verdediging stelde dat de algemene voorwaarde tot medewerking aan reclasseringstoezicht ruim was geformuleerd en dat de veroordeelde zich redelijk had gehouden aan de voorwaarden.
De rechtbank concludeerde dat de bijzondere voorwaarden, namelijk het contactverbod en de meldplicht, niet wezenlijk waren overtreden. De beperkte overtredingen van de meldplicht waren onvoldoende reden om het voorwaardelijke strafdeel ten uitvoer te leggen. De vordering tot tenuitvoerlegging werd daarom afgewezen, waarmee de voorwaarden en de proeftijd ongewijzigd blijven.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel af wegens onvoldoende overtreding van de voorwaarden.