Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2018:3255

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 april 2018
Publicatiedatum
23 april 2018
Zaaknummer
C/10/547518 / FT EA 18/548
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd bij faillissementsverzoek natuurlijke persoon woonachtig in Spanje

Een natuurlijke persoon heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek tot faillietverklaring op eigen aangifte ingediend. De aangever woont sinds ruim twee jaar in Spanje, terwijl hij daarvoor in Dordrecht woonde. Hij ontvangt een WAO-uitkering waarop beslag is gelegd, en beoogt met het faillissementsverzoek de beslagvrije voet te beschermen.

De rechtbank toetst haar bevoegdheid aan de hand van de Verordening (EU) 2015/848 (IVO II), die bepaalt dat alleen de rechtbank van het land waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar is gelegen bevoegd is om een insolventieprocedure te openen. Voor natuurlijke personen die niet als zelfstandige werken, wordt het centrum vermoed de gebruikelijke verblijfplaats te zijn, tenzij dit in de zes maanden voorafgaand aan het verzoek is gewijzigd.

Aangezien de aangever al ruim twee jaar in Spanje woont, is het centrum van zijn voornaamste belangen vermoedelijk in Spanje gevestigd. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om het faillissementsverzoek te behandelen. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om het faillissementsverzoek in behandeling te nemen omdat het centrum van de voornaamste belangen van de aangever in Spanje ligt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
[naam],
[adres]
[woonplaats]
aangever,
strekkende tot zijn (op eigen aangifte) faillietverklaring.

1.De procedure

Op 27 maart 2018 heeft aangever ter griffie van de rechtbank een verzoek tot (op eigen aangifte) faillietverklaring ingediend. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft aangever onder meer aangevoerd dat hij een WAO-uitkering (vanuit Nederland) geniet en dat op
5 maart 2018 beslag is gelegd op zijn uitkering. Vanaf 1 april 2018 zal zijn volledige uitkering (zonder dat rekening wordt gehouden met een beslagvrije voet) naar de beslaglegger worden overgemaakt. Door zijn faillietverklaring zal in elk geval de beslagvrije voet (weer) worden gerespecteerd, aldus aangever.

2.De beoordeling

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek toe te komen, moet de rechtbank toetsen of zij bevoegd is op het verzoek van aangever te beslissen. De Verordening (EU) 2015/484 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (hierna: IVO II) is daarbij van toepassing.
Artikel 3 lid 1 IVO Pro II bepaalt dat de rechters van de lidstaat op het grondgebied waarvan het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, bevoegd zijn een insolventieprocedure (een zogenaamde ‘hoofdprocedure’) te openen. Het centrum van de voornaamste belangen is de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die als zodanig voor derden kenbaar is. Bij een natuurlijk persoon als aangever (die niet als zelfstandige een bedrijfs- en beroepsactiviteit uitoefent) wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed diens gebruikelijke verblijfplaats te zijn. Dit vermoeden geldt alleen indien de gebruikelijke verblijfplaats in de zes maanden voorafgaand aan het aanvragen van de insolventieprocedure niet naar een andere lidstaat is overgebracht.
Volgens het uittreksel uit de Basisregistratie Personen was aangever tot 16 juli 2015 woonachtig in Dordrecht, maar is hij sindsdien woonachtig in Spanje.
De rechtbank oordeelt dat het centrum van de voornaamste belangen van aangever niet in Nederland gelegen is nu aangever reeds gedurende twee jaar en negen maanden in Spanje woont, zodat de rechtbank zich op grond van artikel 3 lid 1 IVO Pro II niet bevoegd acht een insolventieprocedure te openen. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om het verzoek tot faillietverklaring in behandeling te nemen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich niet bevoegd om het verzoek tot faillietverklaring in behandeling te nemen.
Deze beschikking is op 11 april 2018 gegeven door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.