ECLI:NL:RBROT:2018:3181

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2018
Publicatiedatum
19 april 2018
Zaaknummer
ROT 17/5527_V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen doorzending naar rechtbank afgewezen

Opposante had bezwaar gemaakt tegen de doorzending van haar bezwaarschrift door verweerder naar de rechtbank, waarna verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat de doorzending geen besluit zou zijn. Opposante stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat opposante geen procesbelang meer had, aangezien verweerder het bezwaar alsnog in behandeling moest nemen.

Opposante deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en handhaafde haar beroep. De rechtbank beoordeelde in deze verzetprocedure of de eerdere beslissing zonder zitting juist was genomen en of er twijfel bestond over de rechtmatigheid daarvan. De rechtbank oordeelde dat opposante niet aannemelijk had gemaakt dat zij schade had geleden door de doorzending en dat het handhaven van het beroep geen voldoende procesbelang opleverde.

De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat er geen reden is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 april 2018 door rechter A.I. van Strien.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat opposante geen procesbelang heeft bij het handhaven van het beroep.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 17/5527
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2018 als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[Naam], te [Plaats], opposante,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 januari 2018 in het geding tussen opposante en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: verweerder) over het besluit van 3 augustus 2017.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van opposante tegen een brief van 8 maart 2017 niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 5 januari 2018 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 18 april 2018. Opposante was aanwezig. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 5 januari 2018 het beroep van opposante terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Zo ja, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat opposante geen procesbelang meer heeft omdat hetgeen zij wilde bereiken met haar beroep, een behandeling van haar bezwaar, is bereikt en zij niet heeft onderbouwd wat de aard en omvang is van de door haar gestelde schade als gevolg van de brief van 8 maart 2017.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Bij de brief van 8 maart 2017 heeft verweerder opposante bericht dat een door haar op 16 februari 2017 ingediend bezwaarschrift was doorgezonden naar de rechtbank om als beroep behandeld te worden. Opposante heeft tegen deze doorzending bezwaar gemaakt bij verweerder bij brief van 18 april 2017. Dit bezwaar is door verweerder bij het besluit van 3 augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat de brief van 8 maart 2017 geen besluit is, zodat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. Hiertegen heeft opposante dit beroep ingediend.
De verzetrechter constateert dat de rechtbank op 28 juni 2017 heeft bepaald dat verweerder het bezwaar van opposante alsnog in behandeling moet nemen. Gelet op dit laatste heeft opposante bereikt wat ze met haar bezwaar tegen de brief van 8 maart 2017 wilde bereiken, namelijk een door verweerder behandelen van haar brief van 16 februari 2017 als bezwaarschrift.
In verzet heeft opposante niet aannemelijk gemaakt dat zij door de (zoals later is gebleken: onterechte) doorzending door verweerder van haar bezwaar schade heeft geleden.
Dat opposante, door haar beroep te handhaven, aan de orde wil stellen dat verweerder in verschillende door haar aanhangig gemaakte zaken de inzage en afgifte van bepaalde dossierstukken frustreert/traineert oa door pro forma bezwaren door te sturen naar de rechtbank, merkt de rechtbank niet aan als een voldoende procesbelang in deze zaak.
4. Om deze reden is het verzet ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, rechter, in aanwezigheid van
C.W. Steenkist, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.