Eiser was in 2012 werkzaam aan boord van een Rijnvaartschip en stond op de loonlijst van een Luxemburgse vennootschap die premies afdroeg in Luxemburg. Eiser verzocht de Sociale verzekeringsbank (verweerder) om een regularisatieovereenkomst te sluiten, zodat hij uitsluitend onder de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving viel voor de jaren 2010 tot en met 2014. Verweerder wees dit verzoek voor 2012 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Rijnvarendenovereenkomst en de Europese Verordening 883/2004 de toepasselijke wetgeving die van Nederland is, maar dat verweerder niet bevoegd was om het verzoek van eiser zelf te behandelen. Het verzoek had moeten worden doorgezonden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteit. Het feit dat verweerder het verzoek inhoudelijk had beoordeeld, maakte dit niet anders. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder het verzoek aan Luxemburg moest doorzenden.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak betreft een rectificatie van een eerdere uitspraak waarbij een ruimere bespreking van de beroepsgronden werd gegeven dan noodzakelijk was.