ECLI:NL:RBROT:2018:1985
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht
Verzoekster, een besloten vennootschap, diende een verzoek tot faillietverklaring in tegen verweerster wegens een opeisbare vordering van €4.203,14 voor accountantswerkzaamheden en stelde dat ook andere schuldeisers onbetaald waren gebleven. Verweerster betwistte een deel van de vordering en stelde dat zij meerdere deelbetalingen had verricht en bereid was een deel te voldoen. Tevens betwistte verweerster de steunvorderingen van andere schuldeisers, onderbouwd met argumenten over het niet aanvragen van een omgevingsvergunning en het niet aannemelijk maken van vorderingen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 6 Faillissementswet Pro faillietverklaring kan worden uitgesproken indien summierlijk blijkt dat de schuldenaar is opgehouden te betalen en er een opeisbare vordering is. Hoewel de vordering van verzoekster inclusief rente en kosten aannemelijk werd geacht, waren de steunvorderingen onvoldoende onderbouwd en betwist. De stellingen van verweerster over schade en het ontbreken van vorderingen waren niet weerlegd.
Daarom concludeerde de rechtbank dat niet was komen vast te staan dat verweerster in een toestand van betalingsonmacht verkeerde. Het verzoek tot faillietverklaring werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het gerechtshof.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.