Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
V.O.F. [naam 3]
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van ruim €458.000, grotendeels bestaande uit omzetbelastingschulden en een geldboete wegens witwassen. De rechtbank toetst of verzoeker te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en of hij zijn verplichtingen uit de regeling zal nakomen.
De rechtbank stelt vast dat de omzetbelastingschulden grotendeels zijn ontstaan in de periode 2012-2015, terwijl verzoeker verklaarde niet te begrijpen hoe deze schulden zijn ontstaan, mede omdat zijn onderneming meerdere malen is uitgeschreven en ingeschreven in het handelsregister. Nadere informatie over het ontstaan van de schulden is niet verstrekt, waardoor de rechtbank uitgaat van de juistheid van de Belastingdienstgegevens en concludeert dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest.
Daarnaast is er een schuld aan het CJIB van €3.000,- wegens een geldboete voor witwassen, die niet is omgezet in een werkstraf zoals door verzoeker gesteld. De rechtbank acht deze schuld eveneens te kwader trouw ontstaan. Verder beheerst verzoeker de Nederlandse taal matig, wat de nakoming van de inspanningsverplichting uit de regeling bemoeilijkt. Ondanks beschermingsbewind en toezegging tot het volgen van een taalcursus is onvoldoende gebleken dat verzoeker zijn verplichtingen zal nakomen.
Gelet op deze omstandigheden en het ontbreken van feiten die toelating tot de regeling rechtvaardigen, wijst de rechtbank het verzoek af.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming van verplichtingen.