De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot faillietverklaring van een natuurlijke persoon, ingediend door een besloten vennootschap. De verzoekster vorderde betaling van een onherroepelijk vastgesteld bedrag en een aanzienlijke steunvordering van de Belastingdienst. Verweerder betwistte de vorderingen en stelde dat tegen belastingaanslagen bezwaar was gemaakt, waardoor de steunvordering nog niet onherroepelijk zou zijn.
Tijdens de zitting werd een verzoek tot aanhouding van de behandeling door verweerder ingediend, dat door de rechtbank werd afgewezen wegens gebrek aan aanleiding. De rechtbank oordeelde dat het vorderingsrecht summierlijk was gebleken, mede door het onherroepelijke vonnis van de kantonrechter en het feit dat bezwaar tegen belastingaanslagen het bestaan van de steunvordering niet uitsluit.
Verder erkende verweerder nog een andere onbetaalde schuldeiser. De rechtbank verklaarde verweerder failliet, benoemde een rechter-commissaris en curator, en gaf de curator de bevoegdheid tot het openen van post. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.