De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het gezamenlijk aanwezig hebben van circa 29,59 kilogram heroïne in een woning te Rotterdam. De politie trad op naar aanleiding van een melding over geluidsoverlast en trof verdachte samen met twee medeverdachten in de woning aan, waar drugs en een drukpers werden aangetroffen.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van twee jaar, stellende dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht over de drugs. De rechtbank onderzocht het bewijs, waaronder DNA-onderzoek op latex handschoenen die in de woning werden gevonden. Het DNA van verdachte werd niet aangetroffen op de handschoenen, wel dat van de medeverdachten.
Verdachte verklaarde slechts kort in de woning te zijn geweest op uitnodiging van een medeverdachte, wat grotendeels werd bevestigd door overgelegde hotelovernachtingen en de medeverdachte zelf. De rechtbank oordeelde dat de drugs niet zodanig in het zicht lagen dat wetenschap en beschikkingsmacht van verdachte konden worden aangenomen.
Op grond hiervan concludeerde de rechtbank dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.