AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Uitspraak over niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen uitnodiging voor voortgangsgesprek ExIT
Eiseres werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam uitgenodigd voor een gesprek over de voortgang bij ExIT. Tegen deze uitnodiging maakte eiseres bezwaar, waarna verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat de uitnodiging geen besluit zou zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank Rotterdam heeft beoordeeld of de brief en e-mail van 24 mei 2018 kwalificeren als een besluit. Volgens artikel 1:3 AwbPro is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan met een publiekrechtelijke rechtshandeling. De rechtbank concludeerde dat de uitnodiging slechts een uitnodiging voor een gesprek betrof zonder rechtsgevolgen, en dus geen besluit is.
Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen deze beslissing werd door de rechtbank als kennelijk ongegrond beoordeeld, waardoor het onderzoek werd beëindigd zonder verdere proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Snel-van den Hout op 19 december 2018.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de uitnodiging geen besluit is en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/4566
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2018 als bedoeld in artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[Naam], te [Plaats], eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.
Procesverloop
Bij brief en e-mail van 24 mei 2018 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek over de voortgang bij ExIT.
Bij brief van 4 juli 2017 heeft eiseres daartegen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is neergelegd dat alvorens beroep kan worden ingesteld, eerst bezwaar moet worden gemaakt. Het bezwaar moet aldus gericht zijn tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4. De rechtbank is van oordeel dat de brief en e-mail van 24 mei 2018 van verweerder niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. Gelet op de inhoud van deze brief en e-mail betreft dit uitsluitend uitnodigingen voor een gesprek over de voortgang bij ExIT en zijn deze niet op enig rechtsgevolg gericht. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de brief en e-mail van 24 mei 2018 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. 5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van L. van Zuijlekom, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 december 2018.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.