Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte voor feit 1 primair tot een werkstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis
- veroordeling van de verdachte voor feit 2 tot een geldboete van € 1400 subsidiair 24 dagen vervangende hechtenis;
- veroordeling van de verdachte voor feit 3 tot een geldboete van € 700 subsidiair 14 dagen vervangende hechtenis.
4.Ontvankelijkheid officier van justitie
Beoordeling
5.Waardering van het bewijs
Voor het bewijs van schuld in de zin van artikel 169 van Pro het Wetboek van Strafrecht is van belang of de verdachte in strafrechtelijke zin een verwijt gemaakt kan worden als ten laste is gelegd, namelijk dat hij hoogst, althans aanmerkelijk, onachtzaam en/of onvoorzichtig en/of onoplettend is geweest waardoor de aanvaring is ontstaan en als gevolg waarvan de opvarenden van de [naam jacht] zijn komen te overlijden. Uit vaste rechtspraak blijkt dat het hierbij gaat om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De ernst van de gevolgen is niet redengevend voor de mate van schuld.
tweepersonen, zijn
6.Strafbaarheid feiten
1.primair
het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig zinkt, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat en het feit iemands dood ten gevolge heeft, terwijl het feit wordt gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, meermalen gepleegd
7.Strafbaarheid verdachte
8.Motivering straf
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
180 (honderdtachtig) uren;
90 (negentig) dagen.