ECLI:NL:RBROT:2017:7346
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van terugvordering WAO-uitkering op grond van periodeloonvergelijking
Eiser ontving een WAO-uitkering die door verweerder werd vastgesteld en later werd teruggevorderd vanwege een te hoog betaalde voorschotperiode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016. Verweerder past sinds juli 2015 een nieuwe methode toe waarbij het SV-loon per aangiftetijdvak wordt vergeleken met het maatmaninkomen, wat leidt tot een periodeloonvergelijking in plaats van een uurloonvergelijking.
Eiser betwist de rechtmatigheid van deze methode en stelt dat het maatmanloon geactualiseerd in plaats van geïndexeerd moet worden. De rechtbank oordeelt dat verweerder gebonden is aan de gewijzigde wet- en regelgeving, waaronder artikel 44 van Pro de WAO en het Schattingsbesluit, die de periodeloonvergelijking voorschrijven. De rechtbank constateert een kleine rekenfout in het bestreden besluit, maar deze beïnvloedt de uitkomst niet.
De rechtbank benadrukt dat eiser niets te verwijten valt en dat de wijziging in de regelgeving ongunstig voor hem uitpakt, maar dat overgangsrecht niet van toepassing is omdat eiser al in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35% verbleef. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser wordt gewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid om zijn inkomen goed te monitoren.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.