ECLI:NL:RBROT:2017:7036
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in civiele vrijwaringsprocedure
In een civiele procedure tussen eiseressen en gedaagden is een tussenvonnis gewezen waarbij de rechter oordeelde over de inhoudelijke geschilpunten en het verdere verloop van de procedure. Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die het tussenvonnis had gewezen, stellende dat de rechter onbegrijpelijke en mogelijk vooringenomen oordelen had gegeven.
De wrakingskamer heeft het dossier bestudeerd, waaronder het tussenvonnis en het vonnis in de hoofdzaak. Tijdens de zitting werd het wrakingsverzoek nader toegelicht door de advocaat van verzoekster, terwijl de rechter schriftelijk reageerde en niet ter zitting verscheen.
Het wrakingsverzoek berustte op drie hoofdgronden: vermeende onbegrijpelijke rechtsoverwegingen over instructies in de overeenkomst, vermeende vooringenomenheid in de motivering en het voortzetten van het debat over de algemene voorwaarden. De rechter betwistte deze gronden en stelde dat de oordelen gemotiveerd en begrijpelijk waren.
De wrakingskamer overwoog dat het tot de normale taak van de rechter behoort om tijdens de procedure beslissingen te nemen, ook als deze onwelgevallig zijn. De aangevoerde oordelen waren niet zo onbegrijpelijk dat vooringenomenheid de enige verklaring kon zijn. Bovendien kan wraking niet worden gebruikt om de inhoudelijke juistheid van beslissingen aan te vechten; daarvoor is hoger beroep beschikbaar.
De wrakingskamer concludeerde dat geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid bestonden en wees het wrakingsverzoek af.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.