De rechtbank Rotterdam heeft op 5 juli 2017 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de veroordeelde werd veroordeeld voor medeplegen van handel in harddrugs, te weten cocaïne en heroïne, over een periode van ruim acht maanden. Op basis van het vonnis en het onderzoek is vastgesteld dat de veroordeelde samen met zijn broer gedurende deze periode drugs heeft verhandeld.
De ontnemingsvordering van de officier van justitie is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een maximum van €99.121,34. De berekening van het voordeel is gebaseerd op tapgegevens, klantcontacten en verkoopprijzen, waarbij rekening is gehouden met inkoopprijzen, versnijdingsmiddelen en materiaalkosten zoals gripzakjes.
De verdediging voerde aan dat de berekening onjuist was omdat deze gebaseerd was op een korte observatieperiode en stelde voor slechts een bedrag ter waarde van een auto te ontnemen. De rechtbank verwierp dit en stelde het voordeel vast op €56.074,44, waarbij zij rekening hield met een maandelijkse stijging van de handel en een gelijke verdeling van het voordeel tussen de veroordeelde en zijn broer.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om dit bedrag aan de staat te betalen. De beslissing is genomen met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en is gebaseerd op de bewijsmiddelen en verklaringen die tijdens het onderzoek zijn verzameld.