De rechtbank Rotterdam heeft op 5 juli 2017 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet, met betrekking tot handel in cocaïne en heroïne.
Op grond van de bewezenverklaring over de periode van 1 juli 2016 tot en met 10 maart 2017, heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis van onder meer tapgesprekken, verkoopprijzen, inkoopprijzen en materiaalkosten. De berekening houdt rekening met gemiddeld 51,5 drugsdeals per dag, een minimale verkoop van twee eenheden per deal, en een verdeling van 60% cocaïne en 40% heroïne.
Na aftrek van geschatte telefoonkosten en autokosten is het maandelijks voordeel vastgesteld op €16.175,32. De rechtbank heeft dit voordeel geëxtrapoleerd over de bewezenverklaarde periode met een opbouw van 5% per maand voorafgaand aan de onderzoeksperiode. Het totaal geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel voor de verdachte bedraagt €56.074,44.
De rechtbank heeft dit bedrag ontnomen en de verdachte verplicht tot betaling aan de staat. Hierbij zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meegewogen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.