ECLI:NL:RBROT:2017:4066

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 februari 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
10/770013-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420 bis SrArt. 420 quater SrArt. 47 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding wegens onjuiste betekening in witwaszaak

Op 2 februari 2017 behandelde de rechtbank Rotterdam een strafzaak waarin verdachte werd verdacht van witwassen van een geldbedrag van 25.500 euro. De tenlastelegging betrof het verborgen houden van de herkomst en het gebruik van geld afkomstig uit enig misdrijf.

De verdediging stelde dat de dagvaarding nietig was omdat deze onjuist aan de verdachte was betekend. De rechtbank oordeelde dat niet was gebleken dat de dagvaarding op de wettelijk voorgeschreven wijze was betekend en constateerde dat de verdachte niet ter terechtzitting was verschenen.

Gelet op deze feiten verklaarde de rechtbank de dagvaarding nietig. Het vonnis werd gewezen door de voorzitter en twee rechters, en uitgesproken op de openbare terechtzitting. De jongste rechter kon het vonnis niet medeondertekenen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig wegens onjuiste betekening.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/770013-13
Datum uitspraak: 2 februari 2017
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
Raadsman mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Geldigheid dagvaarding

Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de dagvaarding nietig is, nu deze onjuist aan de verdachte betekend is.
Beoordeling
Niet is gebleken dat dagvaarding op de bij de wet voorgeschreven wijze aan verdachte is
betekend en de verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.
Conclusie
De dagvaarding is nietig.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart de dagvaarding nietig.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. E.G. Fels en M. Cupido, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
zij op of omstreeks
7december 2012, te Dordrecht, althans in Nederland , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld) witwassen, immers heeft/hebben zij verdachte en/of haar mededader(s), toen aldaar, van één of meer geldbedrag(en), te weten van
25.500 (zegge: vijfentwintigduizend vijfhonderd) euro, althans enig geldbedrag,
a. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s), verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op bovengenoemd(e) geldbedrag(en) was/waren en/of wie bovengenoemde geldbedrag(en) voorhanden had(den) en/of terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
b. voornoemde geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van bovengenoemde geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
artikelen 420 bis onder a en b jo 420 quater onder a en b jo 47 van het Wetboek van Strafrecht