ECLI:NL:RBROT:2017:4064

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 februari 2017
Publicatiedatum
29 mei 2017
Zaaknummer
10/770003-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420 bis SrArt. 420 quater SrArt. 47 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van dagvaarding wegens onjuiste betekening in witwaszaak

Op 2 februari 2017 heeft de rechtbank Rotterdam in een meervoudige kamer voor strafzaken uitspraak gedaan over de geldigheid van de dagvaarding tegen verdachte. De verdachte werd verdacht van witwassen van een geldbedrag van 23.000 euro in de periode van 8 tot en met 10 december 2012.

De verdediging voerde aan dat de dagvaarding nietig was omdat deze onjuist aan de verdachte was betekend. Tijdens de terechtzitting bleek dat niet was gebleken dat de dagvaarding op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de verdachte was betekend. Bovendien was de verdachte niet verschenen op de zitting.

De rechtbank concludeerde dat de dagvaarding nietig is en verklaarde deze als zodanig. Het vonnis werd gewezen door de voorzitter en rechters van de meervoudige kamer, waarbij de jongste rechter niet in staat was het vonnis mede te ondertekenen.

Uitkomst: De dagvaarding is nietig verklaard wegens onjuiste betekening en afwezigheid van verdachte.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/770003-13
Datum uitspraak: 2 februari 2017
Verstek
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
Raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Schiedam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Geldigheid dagvaarding

Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de dagvaarding nietig is, nu deze onjuist aan de verdachte betekend is.
Beoordeling
Niet is gebleken dat dagvaarding op de bij de wet voorgeschreven wijze aan verdachte is
betekend en de verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.
Conclusie
De dagvaarding is nietig.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart de dagvaarding nietig.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. E.G. Fels en M. Cupido, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 8 december 2012 tot en met 10 december 2012, te Rotterdam en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld) witwassen, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s), toen aldaar, van één of meer geldbedrag(en), te weten van
23.000 (zegge: drieëntwintigduizend) euro, althans enig geldbedrag,
a. de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op bovengenoemd(e) geldbedrag(en) was/waren en/of wie bovengenoemde geldbedrag(en) voorhanden had(den) en/of terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
b. voornoemde geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van bovengenoemde geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
artikelen 420 bis onder a en b jo 420 quater onder a en b jo 47 van het Wetboek van Strafrecht