Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2017 in de zaak tussen
[eiser],
de heffingsambtenaar van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
12 januari 2017.
Rechtbank Rotterdam
Eiser, eigenaar van een boot gelegen in de haven van de gemeente Goeree-Overflakkee, betwistte de door verweerder opgelegde aanslag havengeld voor het jaar 2015. De kern van het geschil betrof de bevoegdheid van verweerder om de aanslag op te leggen en de hoogte daarvan.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 229 van Pro de Gemeentewet en de Verordening haven- en kadegelden 2015 de gemeente gerechtigd is havengeld te heffen voor het gebruik van de haven en de daaraan verbonden diensten. Het feit dat eiser zijn boot in de haven had liggen, was voldoende om belastingplichtig te zijn, ongeacht het gebruik van de boot.
Verder verwierp de rechtbank het betoog van eiser dat de aanslag onredelijk hoog zou zijn vanwege een vermeende stijging van 259% ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit omdat in 2015 voor het eerst rechtstreeks een aanslag werd opgelegd, terwijl voorheen de watersportvereniging een privaatrechtelijke overeenkomst had met de gemeente en de kosten doorberekende aan haar leden.
De rechtbank concludeerde dat de aanslag van verweerder terecht was opgelegd op basis van het tarief per meter bootlengte en verklaarde het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag havengeld wordt ongegrond verklaard en de aanslag wordt bevestigd.