ECLI:NL:RBROT:2017:2463

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
3 april 2017
Zaaknummer
522887 / HA RK 17-209
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek in kort geding afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en gebrek aan vooringenomenheid

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 29 maart 2017 uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van [naam verzoeker] en [naam verzoekster], vertegenwoordigd door hun advocaat mr. J.P. van Veenendaal. Het wrakingsverzoek was gericht tegen mr. S.H. Poiesz, de rechter die de behandeling van een kort geding had geleid. Het verzoek tot wraking was ingediend na de zitting van 13 maart 2017, waarbij de rechter had besloten geen uitstel te verlenen. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was voor zover het gebaseerd was op het niet verlenen van uitstel, omdat dit verzoek te laat was ingediend. De wrakingskamer concludeerde dat de feiten en omstandigheden waarop het verzoek was gegrond, niet tijdig aan verzoeker bekend waren geworden, zoals vereist door artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Voor het overige werd het wrakingsverzoek afgewezen. De wrakingskamer oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomenheid van de rechter. De verzoekers hadden aangevoerd dat de rechter op de hand van de tegenpartij zou zijn, maar de wrakingskamer vond dat de rechter zich in haar rol als voorzieningenrechter had gehouden aan de vereisten van een kort geding. De rechter had een voorlopig oordeel gegeven over de huurachterstand en de omstandigheden van de huurder, wat binnen haar taak viel. De wrakingskamer concludeerde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd maakten. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 10/522887 / HA RK 17-209
Beslissing van 29 maart 2017
op het verzoek van
[naam verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. J.P. van Veenendaal,
en
[naam verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster,
advocaat mr. J.P. van Veenendaal,
strekkende tot wraking van:
mr. S.H. Poiesz, rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton II (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop en de processtukken

Bij dagvaarding van 2 maart 2017 heeft [naam eiser] als eiser verzoekers
[naam verzoeker] en [naam verzoekster] als gedaagden gedagvaard te verschijnen ter openbare terechtzitting van 13 maart 2017 van deze rechtbank voor de kantonrechter, optredend als voorzieningenrechter in kort geding.
Deze procedure draagt als kenmerk 5699532 \ VV EXPL 17-55.
Ter gelegenheid van de op 13 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling heeft de advocaat van verzoekers de rechter gewraakt.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier met zaaknummer 5699532 \ VV EXPL 17-55, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de op 13 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling.
Verzoekers en hun advocaat alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zal worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.
De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 15 maart 2017.
Ter zitting van 22 maart 2017, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoekster en haar advocaat en de rechter verschenen.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden – zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist.
2.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is, voor zover het verzoek is gegrond op het niet verlenen van uitstel en overweegt daartoe het volgende.
De advocaat van verzoekers heeft aan zijn verzoek tot wraking onder meer ten grondslag gelegd de beslissing van de rechter om geen uitstel te verlenen, welke beslissing is genomen op de verzoeken tot uitstel van 9 maart 2017 en 10 maart 2017 van de advocaat van verzoekers.
Verzoekster was, bijgestaan door de advocaat, op de zitting van 13 maart 2017 tegenwoordig. Verzoekster en haar advocaat hebben bij de aanvang van de zitting van
13 maart 2017 niet nogmaals om uitstel verzocht.
Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wraking dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
In dit geval is die termijn overschreden. De gewraakte gedraging van de rechter heeft zich voorgedaan rond 9 maart 2017 en 10 maart 2017, terwijl het verzoek tot wraking eerst is ingediend aan het einde van de zitting van 13 maart 2017.
2.3
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, voor zover het verzoek is gegrond op het niet verlenen van uitstel.
Voor het overige is verzoeker ontvankelijk in het wrakingsverzoek.

3.Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de advocaat van verzoekers het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
De rechter is op de hand van de tegenpartij. Dit blijkt uit uitlatingen op de zitting, die blijk geven van een voor de verzoekers ongunstige blik van de rechter op de zaak.
3.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
De zaak betreft een kort geding dat is aangespannen door de verhuurder tegen de huurder.
Op de zitting is de vraag aan de orde gesteld of partijen niet in overleg wilden treden over de beëindiging van de huurovereenkomst, aangezien verzoeker de huur niet meer kon betalen en er al sprake was een huurachterstand van drie maanden. Partijen zijn er niet bij gediend als een rechter zaken ter zitting onbenoemd laat en deze zaken vervolgens als verrassing in de uitspraak terugkomen.
3.3
Ter zitting heeft de advocaat van verzoeker, in aanvulling op het bovenstaande, het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven en voor zover nog van belang - :
De rechter heeft ten onrechte aangenomen dat verzoeker de huur niet kon betalen en gaf de indruk niet goed bekend te zijn met het verweerschrift en niet veel tijd te kunnen uittrekken voor de behandeling van de zaak.
3.4
Ter zitting heeft de rechter, voor zover hier van belang, haar eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en naar voren gebracht dat de behandeling door de wraking al snel werd onderbroken en dat zij de behandeling tot haar spijt niet heeft kunnen voltooien.

4.De beoordeling

4.1
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoekers geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.
4.2
Aan de door verzoekers aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
4.3
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekers geuite vrees dat de rechter jegens hen een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekers van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
4.4
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het tot de taak van de rechter in een kort geding behoort om naar aanleiding van de stellingen van de partijen nader onderzoek te doen en zo nodig kritische vragen te stellen. Een mondelinge behandeling in kort geding heeft onder meer tot doel het verkrijgen van inlichtingen; tevens kan het beproeven van een schikking aan de orde komen. De rechter kan zich hierbij actief opstellen.
In dat kader kan een voorzieningenrechter ook een voorlopig oordeel geven, eventueel over bepaalde geschilpunten, waarmee overigens nog niet vaststaat wat uiteindelijk het oordeel zal zijn over de vorderingen in conventie en reconventie. In dit geval heeft de kantonrechter een voorlopig oordeel gegeven over de vraag of een huurachterstand van drie maanden, zonder uitzicht op verbetering, aanleiding zou kunnen zijn voor het toewijzen van de vordering tot ontruiming en over de vraag of de omstandigheden die leiden tot het niet betalen van huur voor rekening en risico komen van de huurder. Vanwege het wrakingsverzoek is de zaak toen niet verder behandeld.
In dit licht bezien, geeft hetgeen namens verzoekers naar voren is gebracht geen aanleiding om aan te nemen dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekers een vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij verzoekers dienaangaande bestaande vrees, objectief gerechtvaardigd was.
4.5
Het verzoek is mitsdien ongegrond en wordt afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoeker
niet-ontvankelijkin het verzoek tot wraking van
mr. S.H. Poiesz, voor zover dit verzoek gegrond is op het niet verlenen van uitstel;
-
wijstvoor het overige het verzoek tot wraking van mr. S.H. Poiesz
af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter,
mr. J. van den Bos en mr. W.J. Roos-van Toor, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2017 in tegenwoordigheid van mr. S.A. Commandeur, griffier.
Verzonden op:
aan:
- [naam verzoeker]
- [naam verzoekster]
- mr. J.P. van Veenendaal
- mr. S.H. Poiesz
- [naam eiser]
- mr. E.B. van den Ouden