ECLI:NL:RBROT:2017:1975

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2017
Publicatiedatum
15 maart 2017
Zaaknummer
C/10/514335 / FT EA 16/2754
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en instabiliteit

Verzoeker diende op 11 november 2016 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank hield op 9 januari 2017 een zitting waar verzoeker werd gehoord. Verzoeker ontvangt een uitkering en pensioen en heeft een schuldenlast van €37.534,61.

De rechtbank beoordeelde of verzoeker te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit het dossier bleek dat een schuld van €19.555,44 bij een derde was ontstaan rond 2002 en door betalingsachterstanden was toegenomen, wat niet te goeder trouw kon worden geacht. Daarnaast had verzoeker een belastingdienstschuld van €6.290 wegens onjuiste opgave van huur- en zorgtoeslag over meerdere jaren, wat eveneens niet te goeder trouw was.

Verder was er een gegronde vrees voor het ontstaan van nieuwe schulden, omdat verzoeker ondanks het inkomen en de huurinkomsten kennelijk nog steeds huurtoeslag ontving die mogelijk teruggevorderd zou worden. De financiële problemen van verzoeker duren al twintig jaar en de rechtbank achtte intensievere begeleiding noodzakelijk. Gezien deze omstandigheden wees de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw en onvoldoende stabiele financiële situatie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 16 januari 2017
[naam 1],
[adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 11 november 2016 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 9 januari 2017.

2.De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet en pensioen. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 37.534,61.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoeker heeft een schuld bij de heer [naam 2] opgebouwd. Die schuld bedraagt momenteel € 19.555,44 en bedroeg - volgens verklaring van verzoeker ter zitting - aanvankelijk ca. € 9.000,-. De schuld is ontstaan in de periode rond 2002 doordat [naam 2] aan verzoeker bedragen voorschoot waarmee laatstgenoemde onder andere zijn huurbetalingen kon voldoen. Verzoeker is de betalingsregelingen die [naam 2] meermalen met hem is overeengekomen niet nagekomen, waardoor [naam 2] zich uiteindelijk in 2015 genoodzaakt heeft gezien om een gerechtelijke procedure te starten. In die procedure is verzoeker veroordeeld tot betaling. De vordering is weliswaar ouder dan vijf jaar, maar het is aan de opstelling van verzoeker te wijten dat [naam 2] zich voor de voldoening van zijn schuld tot de rechtbank heeft moeten wenden, hetgeen de schuld aanzienlijk heeft doen toenemen. De schuld is dan ook niet te goeder trouw blijven voortbestaan.
Verzoeker heeft tevens een schuld aan de Belastingdienst van € 6.290,00. Volgens verzoeker heeft deze schuld betrekking op ten onrechte ontvangen huur- en zorgtoeslag over de jaren 2013, 2014 en 2015. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit - drie jaar op rij - niet gedaan. Verzoeker heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Verzoeker ontving naast huurtoeslag vanaf 1 april 2014 ook huurpenningen (€ 300,- per maand) van een onderhuurder. Het had verzoeker duidelijk kunnen en moeten zijn dat dit van invloed zou zijn op de hem toekomende huurtoeslag. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Bij de rechtbank bestaat er bovendien een gegronde vrees voor het ontstaan van nieuwe schulden. Verzoeker geniet een inkomen dat is opgebouwd uit een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet van € 1.075,56 per maand, pensioen van € 245,47 per maand en (onder)huurpenningen van € 310,00 per maand. Volgens het verzoekschrift heeft verzoeker in totaal een inkomen van € 1.631,03. Met dat inkomen zou verzoeker geen aanspraak kunnen maken op huurtoeslag. Verzoeker ontvangt echter kennelijk, opnieuw of nog steeds, huurtoeslag. Het is zeer aannemelijk dat ook de op dit moment ontvangen huurtoeslag zal resulteren in een al dan niet gedeeltelijke terugvordering.
Feiten of omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De financiële problemen van verzoeker duren inmiddels al 20 jaar. Schuldhulpverlening heeft geconstateerd dat de zelfredzaamheid van verzoeker onder druk staat. Verzoeker ontvangt sinds twee jaar wel hulp van een bekende, de heer [naam 3] , maar naar het oordeel van de rechtbank is er een meer structurele en intensieve begeleiding nodig, bij voorkeur door een beschermingsbewindvoerder. De rechtbank merkt op dat de daartoe gestelde gewijzigde omstandigheden onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een (persoonlijke) ontwikkeling waaruit blijkt dat schuldenaar greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, rechter, en in aanwezigheid van C. Santos, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2017. [1]