ECLI:NL:RBROT:2017:10037
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij veroordeelde voor computercriminaliteit ongegrond verklaard
De veroordeelde, veroordeeld voor computercriminaliteit, maakte bezwaar tegen de afname en opname van zijn DNA in de landelijke databank op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Hij stelde dat DNA-onderzoek geen betekenis zou hebben voor de opsporing en vervolging van zijn misdrijven en dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn first offender-status, vernietiging van het DNA-profiel rechtvaardigden.
De officier van justitie voerde aan dat geen uitzonderingssituatie bestond en dat DNA-onderzoek ook bij computercriminaliteit nuttig kan zijn, omdat hardware vaak betrokken is en DNA-sporen kunnen helpen bij identificatie.
De rechtbank oordeelde dat de wet als uitgangspunt heeft dat DNA van iedere veroordeelde wordt afgenomen, tenzij uitzonderingen zich voordoen. De aard van het misdrijf en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde rechtvaardigen geen uitzondering. DNA-onderzoek is ook bij computercriminaliteit een waardevol opsporingsmiddel. Het bezwaar werd daarom ongegrond verklaard.
De beslissing werd genomen in raadkamer op 23 maart 2017 door rechter W.A.F. Damen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de DNA-afname en opname in de databank is ongegrond verklaard.