Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding
- de overgelegde producties
- de incidentele conclusie tot tussenkomst/ voeging van Istimewa,
- de mondelinge behandeling
- de beslissing van de voorzieningenrechter ter zitting om de vordering tot tussenkomst toe te staan (om na te melden reden)
- de pleitnota van AEVO
- de pleitnota van de gemeente Rotterdam
- de pleitnota van Istimewa.
2.De feiten
Het voorstel dient geschreven te worden vanuit de best practice en de ervaring van
1.GC-2A Storingsorganisatie
2.GC-2B Inventarisatieronde eerste half jaar
3.GC-2C Plan van aanpak periodiek onderhoud projectkwaliteitsplan
4.GC-2D Voorstel voor een optimaal beheer van objectgegevens en een OMS
systeem
5.Istimewa voorgenomen winnaar
woensdag 23 december a.s. om 12.00 uur, met
3.Het geschil
Primair: de gemeente Rotterdam te gebieden de opdracht te gunnen aan AEVO;
Subsidiair: de gemeente Rotterdam te gebieden over te gaan tot herbeoordeling
Meer subsidiair: de gemeente Rotterdam te gebieden over te gaan tot heraanbesteding van de opdracht, met inachtneming van deze uitspraak;
4.De beoordeling
in het incident
on lineversie van dit rapport als optie werd aangeboden. De gemeente Rotterdam maakt aan AEVO het verwijt dat de inschrijving van AEVO voor een aantal beoordelaars onduidelijk was omdat in de inschrijving van AEVO op verschillende pagina’s door elkaar diverse voorstellen zijn gedaan die wel, en voorstellen die niet in de inschrijving zijn inbegrepen, zodat onduidelijk was dat de actuele rapportage van AEVO ook zonder de on line optie werd aangeboden. De voorzieningenrechter acht dit verweer uit de pleitnota van de gemeente Rotterdam een adequate adstructie van haar motivering dat de opbouw van de rapportage van AEVO niet als helder werd ervaren. Bij gebreke van overlegging van haar inschrijving door AEVO valt niet te toetsen dat deze motivering onjuist is.
We hebben de decompositie en deze wordt ook gebruikt. Alleen voldoet de decompositie strikt genomen nog niet aan de laatste versie van de gestelde NEN 2767 norm.”). Wat daaraan onjuist is blijkt niet uit de stellingen van AEVO. Als toepassing van NEN 2767 kwalificeert als een innovatie, dan had het op weg van AEVO gelegen om in de onderhavige procedure dit innovatieve karakter te onderbouwen, maar dat doet zij niet. Derhalve kan, ook indien aangenomen zou mogen worden dat de gemeente Rotterdam niet werkte met deze norm, nog steeds niet worden geoordeeld dat het invoeren van deze norm een innovatie is. Afgezien hiervan baseert AEVO haar standpunt dat de gemeente Rotterdam niet zou werken met voormelde NEN-norm op de Nota van Inlichtingen, maar ook dat geschrift is niet ingebracht in de onderhavige procedure.