ECLI:NL:RBROT:2016:9231

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 september 2016
Publicatiedatum
30 november 2016
Zaaknummer
C/10/16/855 R
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 1346/2000Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvermogen tot betaling van studieleningen

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvermogen zijn schulden te voldoen. De schulden bestaan uit twee leningen bij een bank, aangegaan voor de financiering van een pilotenopleiding. Na afronding van de opleiding in 2009 is verzoeker er niet in geslaagd een baan als piloot te vinden en is de vliegbevoegdheid komen te vervallen. Het garantiefonds dat rentevrij lenen mogelijk moest maken, is failliet gegaan.

Verzoeker verdient momenteel netto €1.183,00 per maand met een parttime baan van 36 uur, wat onvoldoende is om aan de renteverplichtingen jegens de bank te voldoen. Pogingen tot schuldregeling met de bank, waaronder een eenmalig aanbod van €40.000, zijn afgewezen. Ook een voorstel van schuldhulpverlening tot betaling van 6,71% werd door de bank verworpen.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet in staat zal zijn zijn schulden af te lossen en verleent daarom de toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoeker wordt aangespoord om actief te zoeken naar beter betaald fulltime werk gezien zijn HBO-niveau. Tevens wordt een rechter-commissaris benoemd en een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder toegekend.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvermogen tot betaling van studieleningen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 22 september 2016
[naam] ,
[adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 22 september 2016.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Verzoeker heeft een schuldenlast van € 132.209,00. Deze valt uiteen in twee schulden aan ABN Amro Bank N.V. ter hoogte van € 96.879,00 respectievelijk € 35.329,00. Het betreft een tweetal leningen, aangegaan voor de financiering van de pilotenopleiding van verzoeker. Na voltooiing van de opleiding in 2009 is verzoeker er niet in geslaagd om een baan te vinden als piloot. De vliegbevoegdheid is inmiddels komen te vervallen. De hoop om ooit nog als piloot aan de slag te gaan, is door verzoeker opgegeven. Het garantiefonds van de vliegschool dat bedoeld was om rentevrij van het garantiefonds te kunnen lenen zodat aan de renteverplichtingen jegens de bank kan worden voldaan, is failliet gegaan. Het lijkt niet waarschijnlijk dat verzoeker nog een inkomen als piloot zal kunnen verwerven.
Verzoeker heeft een baan van 32 uur (inmiddels 36) per week, waarmee hij € 1.183,00 netto verdient. Vast staat dat hij niet aan zijn renteverplichtingen jegens de bank kan voldoen. Vanaf 2010 loopt er overleg met de bank over een oplossing voor de schulden aan de bank. In 2010 is de rente door de bank iets verlaagd, zodat verzoeker naast de rentebetalingen iets (maximaal € 10.000,00) op de leningen heeft kunnen aflossen. Verdere aflossingen zijn niet mogelijk gebleken. Verzoeker heeft met behulp van familie een bedrag ineens aangeboden aan de bank van € 40.000,00. Dit aanbod is door de bank van de hand gewezen. Er is geen definitieve regeling tot stand gekomen. Het aanbod van betaling van 6,71% dat door de schuldhulpverlening is gedaan, is eveneens door de bank afgewezen. Voldoende aannemelijk is dat verzoeker met zijn huidige inkomen, en overigens ook indien dit inkomen iets hoger zou liggen, niet in staat zal zijn om zijn schulden aan de bank af te lossen.
In deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat verzoeker niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden aan de bank. Verzoeker wordt daarom toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Overigens is met verzoeker ter zitting besproken dat hij, gelet op zijn HBO-niveau, in staat moet worden geacht meer inkomsten te verwerven dan thans het geval is. Verzoeker zal daarom tijdens de schuldsaneringsregeling actief op zoek moeten gaan naar beter betaald fulltime werk.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[naam] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. A.J. van Spengen
en tot bewindvoerder T.P.F. Eisses,
gevestigd te Postbus 187,
3330 AD Zwijndrecht;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van
L.M. de Leeuw van Weenen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 september 2016.