Op 1 juni 2016 werd in de auto van verdachte een contant geldbedrag van €65.100,- aangetroffen, gebundeld in coupures van 50 euro. Verdachte verklaarde het geld te vervoeren namens een persoon die het zou gebruiken voor het betalen van borgsommen aan Belgische autoriteiten.
De officier van justitie stelde dat verdachte wisselende verklaringen gaf en dat de herkomst van het geld verdacht was, mede door onduidelijkheden in de onderliggende documenten en de omslachtige wijze van vervoer. Volgens de officier moest verdachte hebben geweten of redelijkerwijs vermoeden dat het geld uit een misdrijf afkomstig was.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er een vermoeden van witwassen bestond, verdachte een concrete en verifieerbare verklaring had gegeven die niet op voorhand ongeloofwaardig was. De verklaring werd deels ondersteund door schriftelijke stukken en een verklaring van een derde, maar deze waren niet voldoende onderzocht.
Omdat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat het geld crimineel was verkregen, sprak de rechtbank verdachte vrij. Tevens werd gelast dat de in beslag genomen goederen, waaronder het geld en de auto, aan verdachte worden teruggegeven.